Past Continuous – Uitleg & Oefeningen

past continuous gratis uitleg en oefeningen

De past continuous laat ons zien dat een actie in het verleden al bezig was en nog steeds bezig is op het moment van spreken. Kijk maar eens naar het volgende voorbeeld:

I was studying, when he got home.

In dit voorbeeld was je aan het studeren voordat en nadat hij thuiskwam.

Wil je direct oefenen? Kies dan één van de volgende oefeningen. Mocht je eerst nog uitleg willen lezen, scrol dan verder!

Bevestigende zinnen oefenen

Ontkennende zinnen oefenen

Vragende zinnen oefenen

Je maakt de past continuous met de verleden tijd van het werkwoord to be en het hoofdwerkwoord met –ing. Bijvoorbeeld: I was studying.

was/were + werkwoord -ing

De past continuous wordt op verschillende manieren gebruikt:

Iets dat voor en na een andere gebeurtenis plaatsvond

  • The girl was doing her homework when her mom got home.

Iets dat voor en na een bepaalde tijd plaatsvond

  • It was nine o’clock. I was eating breakfast.

Iets dat keer op keer gebeurde

  • I was studying for the exam every day, five times a day.

Iets dat een tijdje heeft geduurd

  • He was screaming.

Gebeurtenissen die tegelijkertijd plaatsvonden

  • I was talking to my girlfriend while she was cooking.
  • We were watching a movie while we were eating dinner.
  • While, when
  • always, constantly
  • for hours
  • All morning, all evening, all week

Voorbeelden met het werkwoord ’to study’:

BevestigendOntkennendVragendVragend ontkennend
Iwas studyingwas not studying / was not studyingWas I studying?Wasn’t I studying?
Youwere studyingwere not studying / weren’t studyingWere you studying?Weren’t you studying?
He / She / Itwas studyingwas not studying / wasn’t studyingWas he/she/it studying?Wasn’t he/she/it studying?
Wewere studyingwere not studying / weren’t studyingWere we studying?Weren’t we studying?
You (plural)were studyingwere not studying / weren’t studyingWere you studying?Weren’t you studying?
Theywere studyingwere not studying / weren’t studyingWere they studying?Weren’t they studying?

Voorbeelden met het werkwoord ’to eat’:

AffirmativeNegativeInterrogativeNegative Interrogative
Iwas eatingwas not eating / wasn’t eatingWas I eating?Wasn’t I eating?
Youwere eatingwere not eating / weren’t eatingWere you eating?Weren’t you eating?
He / She / Itwas eatingwas not eating / wasn’t eatingWas he/she/it eating?Wasn’t he/she/it eating?
Wewere eatingwere not eating / weren’t eatingWere we eating?Weren’t we eating?
You (plural)were eatingwere not eating / weren’t eatingWere you eating?Weren’t you eating?
Theywere eatingwere not eating / weren’t eatingWere they eating?Weren’t they eating?